Voor het noodzakelijke vlees voor het gezin hield iedereen een varken. Soms twee: een voor de slacht en een voor de pacht.
De huisslachter was aanvankelijk een handig iemand die het “vak” van iemand anders had geleerd. Tot in de jaren zestig van de vorige eeuw kwam hij gewoon aan huis of boerderij om een varken te slachten. Vervolgens was het de taak van de vrouwen om alle delen van het varken te verwerken. Een van vakken op de Huishoudschool was Verwerken van de slacht.
Slachten was het laatste deel van het aanleggen van de voedselvoorraad voor de winter. Slachten gebeurde in november en december, dan was het koud genoeg, het vlees moest immers niet bederven. De slacht was altijd een min of meer feestelijke gebeurtenis, er was wat extra’s zoals balkenbrij en kaantjes.
Vanwege de hoge eisen die tegenwoordig gesteld worden aan hygiëne en kwaliteit is het verboden om aan huis nog vee te slachten. Ook slachters moesten voortaan voldoen aan eisen van vakbekwaamheid. Velen begonnen varkens te kopen, te slachten en het vlees aan huis verkopen.

