De jongen die de pomp liet schrikken

Kinderen van vroeger waren natuurlijk heel braaf.

Tenminste… dat zeiden hun moeders.

Maar in ieder dorp liep er wel eentje rond die nét iets ondeugender was dan de rest.

Zo was er ook een jongen die altijd op zoek was naar kattenkwaad. Hij klom waar hij niet mocht klimmen, verstopte spullen van andere mensen en als er ergens iets gebeurde waarvan niemand wist hoe het kwam, was de kans groot dat híj er iets mee te maken had.

Op een dag ontdekte hij de dorpspomp.

Hij had gezien hoe de volwassenen aan de zwengel trokken. Eén keer en er kwam water. Nog een keer en weer water.

Maar toen kreeg hij een idee.

Wat zou er gebeuren als je héél hard en héél snel zou pompen?

Hij keek goed om zich heen. Niemand zag hem.

Een vrouw kwam aanlopen met haar lege emmer. Een man bleef even staan voor een praatje. En precies toen iedereen met iets anders bezig was, sloop de jongen naar de pomp.

Hij pakte de zwengel vast.

Eerst heel voorzichtig. Eén keer. Toen nog een keer.

En toen steeds sneller.

Pomp! Pomp! Pomp! Pomp!

Het water begon eruit te spuiten.

De vrouw met haar emmer kreeg een flinke straal over haar jurk.

“Hé! Wat gebeurt hier?!”

De man die ernaast stond, sprong achteruit. De mensen begonnen door elkaar heen te roepen.

En ondertussen pompte de jongen maar door.

Het leek wel alsof de hele pomp op hol was geslagen.

Toen stopte hij ineens.

Doodstil.

De jongen liet de zwengel los. Hij keek naar de natte mensen en besefte dat het misschien toch iets harder was gegaan dan hij had bedoeld.

Hij zette het op een lopen.

Maar helaas had hij niet door dat iemand hem had gezien.

Een oude man die iets verderop stond, had alles gevolgd. Hij kende de jongen en wist precies waar hij woonde.

Het verhaal ging daardoor sneller door het dorp dan de jongen zelf naar huis kon rennen.

Toen hij thuis kwam, stond zijn moeder al te wachten.

Armen over elkaar. Geen glimlach. Geen woord.

Alleen die blik van een moeder waarbij je meteen weet dat je een probleem hebt.

De jongen hoefde niets meer uit te leggen.

Zijn moeder wist het al.

En de volgende dag wist het hele dorp het.

Vanaf dat moment hoefde niemand meer te vragen wie er achter de natte jurk, de boze man en de overstroming bij de pomp zat.

Maar het mooiste was misschien wel dat de jongen er zelf ook iets van leerde.

Niet dat hij moest stoppen met kattenkwaad. Welnee.

Hij leerde alleen dat je eerst goed moet kijken of niemand je ziet.

Want bij een dorpspomp zag altijd wel íemand iets.

En zo werd de dorpspomp niet alleen gebruikt om water te halen. Het was een ontmoetingsplek. Een plek voor verhalen, voor ruzies, voor verliefdheid, voor roddels en blijkbaar ook voor de nodige streken.

Want vroeger was een dorp misschien klein.

Maar vervelen? Dat deden ze daar zeker niet.