Persoonlijk vind ik de toer een van de mooiste voorwerpen uit deze streek, een typische plattelandsdracht!
Net zoals tegenwoordig wilden de jonge meisjes, bijna 200 jaar geleden, er zo aantrekkelijk mogelijk uitzien wanneer ze gingen feestvieren. Ze knoopten daarom een lint om de muts, die ze altijd al droegen. Ieder meisje wilde er nog beter en graag net iets anders uitzien dan haar vriendinnen en dus begonnen ze dat lint te versieren. Op den duur werd het lint steeds breder en rijker opgesmukt met bloemetjes en propjes lint en de uiteinden werden uitgerafeld. Zo ontstonden er complete kunstwerken met kleurige bloemetjes en linten aan beide uiteinden. In het midden van de 19e eeuw groeide dat uit tot de voor deze streek kenmerkende toer. Een mooi voorbeeld van een toer is tentoongesteld in de vitrinekast van de “beste” kamer in onze boerderij.
Opbouw van de toer
Een toer bestaat uit een stukje karton, bekleed met stof. Aan die stof werden met grove steken de versierselen vastgezet. Aan elk uiteinde hingen twee linten precies op elkaar. De kostbaarste linten waren van zware zijde, al of niet rijk geborduurd en voorzien van een monogram, het bovenste lint was vaak van handgekloste kant. Onder de toer zat de muts en daaronder een zwart mutsje.
De toer was een kostbaar kledingstuk, vanwege het vele handwerk, maar ook omdat er duur en veel materiaal voor nodig is. Handgekloste kant is altijd heel kostbaar geweest en wanneer het bovenop geplooid verwerkt wordt zijn daar vele meters voor nodig. Men was er zuinig op. De toer werd ook vaak bij testament vererfd. Helaas zijn er maar weinig toeren bewaard gebleven. Ze zijn gesneuveld tijdens carnaval of doordrenkt van bier in een hoek van het café achtergebleven.
Gebruik
Vanaf 1860 tot in de tweede wereldoorlog hebben vrouwen hier in Noord-Limburg een toer gedragen, bij feestelijke gelegenheden en ’s zondags naar de kerk. Ze schreden dan langzaam naar voren, zodat iedereen de toer kon bewonderen. Alleen de vrouw van de burgemeester, de huishoudster van de pastoor, een winkelierster en een rijke boerin droegen de toer dagelijks. De boerin droeg door de week een oude toer en had voor de zon- en feestdagen een nieuwer exemplaar.
Tijdens de tweede wereldoorlog kon men moeilijk aan materiaal komen om een toer te maken en het vak van toerenmaakster stierf ook langzaam uit. De oudere vrouwen die reeds in het bezit waren van een toer droegen die nog wel, maar er werden nauwelijks meer nieuwe toeren gemaakt. Bovendien ging men, in plaats van met paard en wagen er op uit te trekken, steeds vaker fietsen en dan is zo’n toer op je hoofd niet bepaald handig. Vóór die tijd zat de toer, wanneer men op stap ging, naar de kerk of de kermis, bij regen of mist veilig opgeborgen in een kist op de kar. Hij mocht natuurlijk niet nat worden, want dan zakten de gesteven onderdelen in elkaar.
Soorten toeren
De eerste keer dat een meisje een toer droeg was met 13 jaar, ter gelegenheid van de communie, die deed je toen op die leeftijd. De toer werd geleend van de moeder, een zus of een tante. De eerste eigen toer kreeg een meisje op haar 18e verjaardag. In de beginperiode werd het hoofd nog kaalgeschoren, maar later stak men het haar op onder de muts. Voor jonge meisjes was de toer bezet met bloemetjes in de kleuren licht blauw, roze, zacht groen of iets gelige kleur. Getrouwde vrouwen hadden alleen witte bloemetjes of knopjes, allemaal van stof met speciaal gereedschap gemaakt. Zo konden de jongens aan de toer zien of een meisje nog “vrij” was, huwbaar.
In rouwtijd, één jaar en zes weken na een overlijden, droeg men een zwarte toer, de rouwtour. Voor de zware rouw, bij de dood van een directe naaste, vader, moeder, kind, broer of zus droegen de vrouwen een tour, waarin geen kant of een glanzende stof was verwerkt. Kant was te frivool. Meestal gebruikte je hiervoor zwarte crêpestof, die geplooid werd verwerkt, vandaar de naam tranencrêpe! Bij lichte rouw, neef, nicht, buur of vriend mochten er wel zwarte bloemetjes op komen of een versiering van tule. Vaak gingen de vrouwen de rest van hun leven in rouw, echter na hertrouwen droegen ze weer een witte toer. Dat hertrouwen gebeurde vaak, zeker wanneer de weduwe met een jong gezin achterbleef. De boerderij moest bestierd worden en de kinderen hadden een “vader” nodig. De pastoor bracht meestal de oplossing, hij zocht een nieuwe echtgenoot. In zo’n geval was de pastoor dus ook huwelijksmakelaar.
Versieringen
De toer werd gemaakt door de toerenmaakster of mutsenmaakster, een belangrijk persoon in het dorp. Je gaf haar een opdracht en bracht de versieringen die erop moesten komen mee. Het was niet altijd zeker of zij die versieringen ook ging gebruiken, want zij moest voorkomen, dat een eenvoudige boerin een mooiere toer droeg dan bijvoorbeeld de vrouw van de burgemeester. Aan de hand van de toer kon je de status van de vrouw aflezen. Rijke mensen hadden mooie kostbare, aparte versieringen op de toer en er werd veel echte handgekloste kant in verwerkt. De gewone boerin kocht de versieringen bij de marskramer die langs de deur kwam, of in een manufacturenwinkel.
Soms werd er in de toer een varkenshaar verwerkt, om vruchtbaarheid af te smeken, een varken krijgt heel veel biggen. Men hoopte, dat de vrouw ook veel kinderen zou baren. Rijke vrouwen lieten mooie dingen meebrengen uit het buitenland. Daarnaast had je de toeren- en mutsenopmaakster. Zij zorgde voor de reiniging en het herstel van de toer. De diverse onderdelen werden door haar losgetornd, gewassen, opnieuw gesteven en er weer opgenaaid. Een heel karwei.
Marlé de Laat

