De Jaargetijden – Kleding en huishoudtextiel

Lente

Eindelijk voorjaar. Tijd voor iets wat de jongeren onder ons misschien niet eens meer kennen: de grote schoonmaak. De huizen van nu zijn centraal verwarmd, lichten en luchten kan dagelijks, een wasmachine is aanwezig. In de huizen van vroeger werd in één vertrek gestookt, meestal het fornuis in de woonkeuken. Waarop gelijk het eten werd gekookt. Om warmte te sparen werd alles dicht gehouden. Wassen en drogen was problematisch. Was de winter voorbij dan kon alles open. Het bedde- en linnengoed, de vertrekken, alles rook muf. De “Grote Poets” was bepaald geen luxe.
Verreweg het belangrijkste attribuut voor de vrouw was de schort. ’s Morgens ging de schort voor en begon de dagtaak, ’s Avonds als echt alles aan kant was ging als laatste de schort af. In de stal en op het land – tot daar strekte het werkterrein van de vrouw zich uit – werd een donkere groflinnen schort gedragen. In huis een lichtere, soms bonte schort. Voor de zondag een zwarte schort. Op bezoek of bij bepaalde gelegenheden, naar de winkel of naar de bijeenkomst van de Boerinnenbond: een witte schort. De schort was er altijd.

Zomer

Op de velden staat alles te groeien en te bloeien. De dag is lang, de werkdag ook. Maar er is iets om naar uit te kijken: de jaarlijkse kermis. Vaak het enige vertier, vaak de enige gelegenheid om de hele familie weer eens te zien. Kermisspul op het dorpsplein, dansen voor de jonge lui. Je leefde er gewoon naar toe. Om de familie gepast te ontvangen was het hele huis aan kant, de stallen vers gekalkt, de tuin geschoffeld, de paden rond het huis geharkt. De beste en mooiste kleren werden gedragen, slenteren door het dorp met de kinderen naar de kermis. De mannen onwennig op schoenen – klompen zijn toch een stuk makkelijker. Stropdas om. De kinderen worden gemaand om voorzichtig te zijn. De tafels werden gedekt met lakens, ook al ongewoon. Voor de vrouw des huizes de gelegenheid om eens te laten zien wat zij in haar linnenkast heeft.

Herfst

Nazomer en herfst is de tijd dat de wintervoorraad aangelegd wordt. Niet alleen de oogst wordt binnengehaald, het is de tijd van inmaken, opslaan, drogen, kortom van het conserveren van eten voor mens en dier. Het hooi ligt op de hooizolder, aardappelen en voederbieten worden ingekuild.
Zuurkool in het vat. Dorsen van het graan. Het varken wordt geslacht en het vlees verwerkt. Het is een tijd van hard werken: immers dit aanleggen van de voorraad bepaalt óf en hoe je de winter doorkomt. Als je hard werkt heeft ook de kleding het zwaar te verduren. Broeken van manchester worden nogal eens van nieuwe knieën en dergelijke voorzien. Gebreide wollen sokken in de klompen,
’s morgens en ’s avonds is het fris. Aan het einde van de herfst komen de truien te voorschijn.

Winter

Buiten koud, binnen warm bij het fornuis. Het werk in de stal is in de winter goed te doen, de dieren geven ook warmte. Allerlei klussen zijn er te doen: brandhout zagen, maïs handmatig van de kolf halen, gereedschappen herstellen, bonenpalen maken. Voor de vrouwen en meisjes de tijd van spinnen en breien. Uiteraard noopt de winter om warmer gekleed te gaan. Het is de tijd van omslagdoeken. Ook van de wollen gebreide borstrokken, in Limburg hemdrok genoemd. De vrouwen dragen meerdere rokken over elkaar heen. De wat langere onderbroek wordt vaak gestrikt om het onderbeen. Lange zelfgebreide kousen. Lange mannenonderbroeken, met de pijpen over de kousen heen. Zelfgebreide
jaeger ondergoed.