Doodgewoon – Gebruiken bij begrafenissen

De 20e eeuw is in meerdere opzichten opmerkelijk. Het lijkt wel of in het midden ervan een tijdvak wordt afgesloten en een nieuw tijdperk begint. Zo ook bij sterfgevallen. In de eerste helft van deze eeuw gaat alles “zoals vroeger” in de nabuurschap, de “naoberschap”. Wat hield deze eigenlijk in?

Naoberschap betekende dat je van het dorp, de wijk, de buurt of het gehucht waar je woonde deel uitmaakte. Dat betekende dat je veel dingen samen deed: de oogst binnenhalen, op elkaars kinderen letten, samen een nieuwe put graven, de gebinten voor een nieuw huis samen optrekken, uit gaan helpen als er iemand ziek werd, het huis versieren voor een bruiloft (het zg. “krensen”), helpen bij het verwerken van de slacht, enz. Maar ook, als er iemand gestorven was, de handen uit de mouwen steken. De dichtstbijwonende naober ging door de buurt en vertelde het slechte nieuws: het aanzeggen. Vervolgens waarschuwde hij de pastoor en de koster. De andere buren gingen naar het sterfhuis. De “doënste naober” – vrouwen (de naaste buren) legden samen het lijk af. Verder zorgden zij voor het eten en zorgden ze ervoor dat de kinderen in bed kwamen en het vee werd gemolken. Men ontfermde zich gewoon over alles wat zich voordeed. De familie van de overledene hoefde zich nergens druk over te maken, zij had immers genoeg aan haar hoofd. Ook regelden de buren de nachtwake (het “rozenkransbidden”), dat het graf werd gedolven, de begeleiding naar de kerkdienst en de koffietafel. Als de overledene kar en paard bezat werd deze kar helemaal schoon geschrobd. Ze diende dan als lijkwagen. Op de bodem van de kar lag vers stro, soms kunstig samengevlochten. Was de overledene de heer des huizes dan zat de weduwe op de kist op de kar. Vrouwen droegen de zwarte rouwtoer, iedereen kleedde zich in het zwart. Op de linker mouw werd een uit zwarte stof vervaardigd ruitje aangebracht, dat afhankelijk van de verwantschap zes weken tot een jaar en zes weken bleef zitten.

Woonde men in een dorp zonder kerk (zoals vroeger rondom Horst de plaatsen Hegelsom, Meterik en Melderslo) dan volgde de lijkstoet bepaalde, soms zeer oude wegen naar de parochiekerk: de Processiewegen. ’s Zondags naar de kerk werd deze weg ook gebruikt. Als de mogelijkheid er was ging men langs een andere weg naar huis terug.

De hulp van de naobere duurde tot daags na de begrafenis. Daarna werd het gezin geacht weer zelf verder te kunnen. Wat niet wil zeggen dat men daarna geen beroep meer op de naobere kon doen.

Einde 50′ begin 60′ jaren doet zich een ommekeer voor op alle gebied. Door betere verzorging, sociale wetgeving en nieuwe instellingen (o.a. Groene Kruis) worden de mensen minder vaak ziek en minder afhankelijk van elkaar. De naoberschap is niet meer zo nodig en begint langzaam maar zeker in elkaar te storten.

Ook alles wat zich afspeelt rond het sterven ontkomt niet aan de “verbeteringen”.

Steeds vaker overlijden mensen in het ziekenhuis, soms zonder dat er familie bij aanwezig is. Als het eenmaal “zover” is wordt de begrafenisondernemer gebeld die alles uit handen neemt en zelfs de prentjes drukt en verstuurt. Men kan zich hiervoor uitstekend verzekeren. Er over praten doet men niet meer, sterker nog: het onderwerp wordt gezien als beladen. Sterven en begraven is a.h.w. “gesteriliseerd”.

Gelukkig zijn hoe langer hoe meer mensen met deze gang van zaken niet meer tevreden: sterven “mag” weer thuis, opbaren ook. Je krijgt zo de gelegenheid om van het overleden familielid afscheid te nemen. Je bent verbaasd dat het krampachtige gezicht  van de overledene langzaam verandert in een tevreden berustende uitdrukking. En je kunt zelf vaststellen dat sterven niet alleen bij het leven hoort, maar doodgewoon is.